Weg met beroepspolitici?

Aan de ene kant hebben we Kajsa Ollongren, een minister van Defensie die het verschil niet weet tussen een sergeant en een majoor. En aan de andere kant hebben we Ernst Kuipers, een minister van Volksgezondheid die uit de ziekenhuispraktijk komt. Zouden we het als land niet veel beter doen wanneer vaklui de ministerposten bekleden? Alles beter dan beroepspolitici, toch? Voor weekblad Panorama maakte Luuk Koelman een serie interviews met zijn broer Vianney.

Foto’s: Paul Tolenaar

Vianney Koelman (1961) is emeritus hoogleraar aan de Technische Universiteit Eindhoven. Hij was verbonden aan het nationale instituut voor fundamenteel energieonderzoek DIFFER en hield zich bezig met duurzame energietechnologie. Ook was hij Chief Scientist bij Shell en adviseerde als zodanig het hoogste management.

“De Kamer debatteert ijverig over klimaatverandering, kerncentrales, waterpompen… maar van die 150 politici heeft dus niemand kaas gegeten van de materie. Dat is toch raar?”

Zeg broer; Ernst Kuipers, een man uit de ziekenhuispraktijk die minister geworden is. Goede ontwikkeling?
Dat vind ik wel, ja. En vergeet ook Robbert Dijkgraaf niet, een topwetenschapper die gepokt en gemazeld is in het hoger onderwijs en nu onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is. Maar van hem horen we vooralsnog niet zoveel. Hoe dan ook, D66 schoof beide heren naar voren, beiden ‘van buiten’, dus qua keuzes zijn ze daar heel vernieuwend bezig.

De partij kiest voor kennis en niet zozeer voor het ‘partijkader’?
Ja, blijkbaar. Zo heeft Kuipers, de ‘coronakapitein’, nul politieke ervaring. Hij is zelfs pas lid geworden van D66 nadat hij gevraagd was als minister. Ik heb me er trouwens sowieso altijd over verbaasd dat er nauwelijks wetenschappers, techneuten en bètamensen op het Binnenhof rondlopen. Ook niet in de Tweede Kamer.

Wat bedoel je met bètamensen?
De Tweede Kamer is vergeven van academici. Je struikelt er over de politicologen, geschiedkundigen, sociologen en economen. Dat zijn alfa’s en gamma’s. Maar bijvoorbeeld een civiel ingenieur of een natuurkundige (dat zijn bèta’s) zul je er niet vinden. Soms denk ik wel eens: er zit geen enkele expertise in de Tweede Kamer als het gaat om belangrijke onderwerpen zoals de energietransitie: de overgang van fossiele brandstoffen naar duurzame energiebronnen. Dat betekent dus dat de Kamer met enige regelmaat wél ijverig aan het debatteren is over klimaatverandering, kerncentrales, warmtepompen, zonnepanelen, windmolens, noem maar op – maar van die 150 politici heeft dus niemand kaas gegeten van de materie. Dat is toch raar? Zo loop je een reële kans dat we als land op een bepaald moment opgescheept zitten met besluitvorming en wetgeving die niet werkt. Ik vind het vreemd dat niet meer mensen zich hierover druk maken. Dat kan gewoon niet goed gaan.

Arjen Lubach had het er ook over, dat we worden geregeerd door digibeten, mensen die niets weten van IT.
Maar niet alleen in Nederland! Je zag het bijvoorbeeld ook in de Amerikaanse Senaat waar Mark Zuckerberg door politici werd ondervraagd. De vragen die gesteld werden, waren tenenkrommend. Een van de senatoren wilde weten hoe Facebook aan geld kwam, want gebruikers betaalden toch niets? Een ander vroeg of Twitter hetzelfde was als Facebook. Je zag een heel flauw glimlachje op het gezicht van Zuckerberg verschijnen. Hij realiseerde zich: ‘van deze lui heb ik niets te duchten’. Enfin, op een bepaald moment hadden de senatoren ook wel door dat ze domme vragen stelden en herpakten ze zich, maar pijnlijk was het wel.

En in Nederland? Welke zaken hadden voorkomen kunnen worden met deskundigen in de Tweede Kamer?
Een duidelijk voorbeeld is de stikstofcrisis. Hier heeft de hoogste rechter (de Raad van State) de overheid op de vingers getikt, omdat die haar eigen wetten overtrad. Extra pijnlijk was dat het Binnenhof volstrekt verrast leek door die uitspraak. Blijkbaar ontbrak bij hen de kennis dat de Europese stikstofnormen hier in Nederland stelselmatig met een factor twee overschreden werden. In essentie deed onze overheid maar wat, niet gehinderd door enige kennis. Want laten we wel wezen: als milieuorganisaties belangrijke rechtszaken tegen de overheid winnen, dan zit dáár blijkbaar meer expertise dan in politiek Den Haag. Dat is toch stuitend? En nog steeds is het, ondanks nieuwe wetgeving, onduidelijk of we op termijn deze crisis achter ons gaan laten.
Nu is stikstof niet mijn expertise, maar het lijkt me helder dat met enige deskundigheid in de Tweede Kamer op dit gebied veel ellende voorkomen had kunnen worden. Want de Kamer is er om de regering te controleren. Dat is hen in dit geval dan blijkbaar niet gelukt.

Jouw expertise is de energietransitie. Wat vind je dan van Rob Jetten, onze minister voor Klimaat en Energie?
Ik kan me een debat herinneren waarin een Kamerlid pleitte voor kernenergie en Jetten reageerde met een schamper: “Ik probeer intussen te bedenken hoe je een huis verwarmt met kernenergie.” Nou, dan heb ik goed nieuws voor minister Jetten. Kernenergie kan uitstekend gebruikt worden om huizen te verwarmen. Alsof een warmtepomp alleen maar kan draaien op stroom uit windenergie.
Gelukkig lijkt Jetten wel het vermogen te hebben om snel bij te leren. In ieder geval is hij inmiddels overtuigd dat een onwrikbaar ‘nee tegen kernenergie’ volstrekt onhoudbaar is. Waar ik me wel zorgen om maak, is dat hij onrealistisch positief is over de kans dat Nederland in 2030 daadwerkelijk de CO2-uitstoot zal hebben gehalveerd. Hij doet alsof we die doelstelling zonder al te veel problemen gaan halen. En over de nog veel grotere uitdaging op de langere termijn – in 2050 moet Nederland 95% minder broeikasgassen uitstoten – hoor ik hem al helemaal niet.

Wat moet Jetten dan wel doen?
Een minister van Klimaat en Energie moet de samenleving doordringen van de noodzaak tot verandering en daarbij een realistisch beeld schetsen van de enormiteit van de taak die voor ons ligt. En dat zal geen goed-nieuws show zijn. Maar Jetten roept het beeld op dat die hele energietransitie niets meer is dan een gevalletje ‘waar een wil is, is een weg’. Alsof alle technologie die daarvoor nodig is, al bij hem op de plank ligt. Of vanzelf wel bij hem op de plank terecht komt. Dat is echt een misrekening. Let wel: een misrekening die verraadt dat hij het hele energiesysteem niet overziet. En mét hem doet ook de gehele Tweede Kamer dat niet.

Zitten dan de verkeerde mensen in de Kamer?
Mijn standpunt is dat de Tweede Kamer ook echt een afspiegeling moet zijn van de maatschappij. Nu zitten er voor mijn gevoel vooral mensen in de Kamer, die op een blauwe maandag politicologie hebben gestudeerd en behalve het Binnenhof nog nooit een andere werkomgeving hebben gezien. Maar blijkbaar vindt niemand dat echt een probleem. Liever concentreren we ons op de man-vrouwverhouding in de Kamer. En of culturele minderheden wel voldoende vertegenwoordigd zijn. Allemaal mooi en prima – ik ben vóór, echt waar – maar je moet juist óók kijken naar diversiteit in opleidingsachtergrond en kennis. Zorg er nu eindelijk eens voor dat niet alleen politicologen, economen en bestuurskundigen in de Kamer zitten, maar ook techneuten én mensen met een achtergrond in de exacte wetenschappen. Dáár wordt de besluitvorming beter van, want er zijn echt veel, heel veel technologische besluiten te nemen.

Je hebt het niet zo op beroepspolitici?
Ach, ze doen vast hun best. Maar het probleem is: we willen goede bestuurders met inhoudelijke kennis van de materie waarover zij gaan. Maar wat we krijgen, zijn goede debaters. Rap van tong tijdens verkiezingscampagnes en geweldig goed in staat om zichzelf te verkopen. Ik snap dat politiek ‘nu eenmaal zo werkt’, maar dat is eigenlijk al verkeerd. We kiezen de politici in wie wij vertrouwen hebben. En dat is dan vaak iemand die goed kan kletsen (ook wel ‘debatteren’ genoemd). Het type dat overtuigt met woorden en jou achterlaat met het idee ‘wauw, wat goed gesproken!’ Maar of zo iemand, bestuurlijk en inhoudelijk gezien, ook écht iets kan, dat valt nog maar te bezien. Want laten we wel wezen: wat kan iemand die politicologie heeft gestudeerd en zijn hele leven beroepspoliticus is geweest, nu werkelijk?

Kajsa Ollongren, onze minister van Defensie, wist het verschil niet tussen een sergeant en een majoor.
Ja, sindsdien noemt iedereen haar sergeant-majoor Ollongron. De formatie van het nieuwe kabinet Rutte had sowieso veel weg van een stoelendans. Dezelfde mensen mochten aanschuiven, maar dan wel op een andere plek. Ollongren belandde dus op een ‘functie elders’ – in dit geval Defensie – en werd in haar eerste interview natuurlijk meteen getest door de pers. Tja, moet je als verse minister van Defensie het verschil weten tussen een sergeant en een majoor? Of moet zo iemand idealiter zelf een militair zijn geweest? Natuurlijk is het een beetje flauw om zo’n weetvraagje voor te leggen aan een nieuw bewindspersoon. Maar tegelijkertijd is het veelzeggend dat iemand als Robbert Dijkgraaf, als kersverse minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, niet zo’n weetvraagje voorgeschoteld krijgt. Het verschil is natuurlijk dat Dijkgraaf als een echte insider gezien wordt. Net als Ernst Kuipers. Bij hen twijfelt niemand aan de inhoudelijke kennis. Je ziet ook dat Dijkgraaf enthousiaster wordt onthaald door zijn doelgroep van wetenschappers en studenten, dan Ollongren door haar doelgroep van militairen. Maar in alle gevallen geldt: pas jaren later weet je hoe goed iemand daadwerkelijk was als minister. Dat wijst de geschiedenis uit.

Moeten we af van alle beroepspolitici?
Dat lijkt me niet: het streven naar diversiteit in achtergronden maakt dat je ook debaters in de Kamer wilt hebben. Maar mijn punt is dat we daarin te veel doorgeschoten zijn. Wat meer inhoudelijke kennis kan – op zijn zachtst gezegd – geen kwaad. En als die inhoudelijke kennis er niet is, dan blijft voor mij als simpele burger niets anders over dan heel hard hopen dat onze politici aandachtig luisteren naar hun wetenschappelijk beter onderlegde ambtenaren en adviseurs.

De overige afleveringen uit deze serie vind je hier.

close

Genoten? Ontvang mijn schrijfsels dan gratis in je mailbox!