Waarom de tijd steeds sneller gaat

Op een verjaardagsfeest had ik laatst een gesprek dat volwassenen van middelbare leeftijd altijd hebben. Over hoe de tijd vliegt. “Alweer een jaar voorbij,” mompelt iemand, waarna de persoon naast hem zuchtend van wal steekt. Naarmate hij ouder wordt, overkomt het hem steeds vaker. Een herinnering die aanvoelt als drie of vier maanden oud, blijkt alweer een jaar geleden.

De angst slaat alle aanwezigen om het hart. Want iedereen weet: dit wordt alleen maar erger! Straks, als je negentig bent, vliegt de tijd pas echt. Je kleedt je aan, nuttigt je ontbijt en de middag is alweer halverwege. Vervolgens pak je de krant en wanneer je opkijkt, is het donker. In sneltreinvaart richting graf!

Een van de aanwezigen verklaart dat steevast als volgt. Voor een 1-jarig kind is een jaar een leven lang, maar voor een 50-jarige is een jaar slechts 2% van zijn leven. Geen wonder dus dat voor een kleuter de afstand tussen twee verjaardagen een oceaan van tijd is.

Toch is dat volgens mij niet de gehele verklaring. Hoe jonger je bent, des te vaker je iets voor het eerst doet. Voor de eerste keer door de sneeuw lopen, voor het eerst naar de kinderopvang, je eerste vakantie, je eerste huisdier, je eerste communie, je eerste zoen, je eerste seks. Steeds weer iets nieuws.

Terwijl het leven van een vijftigjarige voor het overgrote deel gevuld wordt door routine en herhalingen. Op zaterdagochtend naar de Albert Heijn, voor de weekinkopen. Met een overvolle winkelwagen aansluiten in de rij bij de kassa. Maandagavond badmintonnen, ook alweer twintig jaar vaste prik. En zo verder. Steeds dezelfde week die eindeloos wordt herkauwd.

Daardoor leven volwassenen amper nog in het hier en nu. Iets voor het eerst proberen, nieuwe vrienden maken? Dat was ooit, maar nu niet meer. Carrière, privéleven, alles kabbelt voort. Volwassenen vinden dat fijn. Liever zijn ze bezig met de toekomst (‘is mijn pensioen wel goed geregeld?’) en het verleden (‘weet je nog, onze studententijd?’).

En áls volwassenen al in het hier en het nu leven, dan hebben ze altijd haast. Negentig minuten om naar de schoonouders aan de andere kant van het land te rijden? “Opschieten!” roepen ze. Terwijl kinderen tijd in overvloed hebben. Voor hen is een autorit van negentig minuten naar opa en oma een bijna ondraaglijk lange tijd. Sowieso is ‘op tijd ergens zijn’ voor een kind een abstract iets, waarover alleen volwassenen zich druk maken.

Daardoor gaat de tijd zo snel. Té snel. Elke tik brengt je dichterbij het einde en wordt daarom steeds sterker gevoeld. Het duurt alleen een eeuwigheid voordat volwassenen zich realiseren, dat alles wat werkelijk telt, niet te tellen is.

close

Genoten van dit artikel? Ontvang mijn schrijfsels dan gratis in je mailbox.