Marinus van der Lubbe: het heilige vuur van de anarchist

Woensdag 13 januari 1909. In de Morschstraat in Leiden, toentertijd een verpauperde industriestad, wordt Marinus van der Lubbe geboren, de jongste van zeven kinderen. Voor moeder Pietje, een Brabantse boerendochter, valt het leven niet mee. Haar man Frans van der Lubbe, een alcoholistische marskramer, neemt in 1916 de benen om nooit meer terug te keren.

Als zijn moeder in 1921 overlijdt, wordt de 12-jarige Marinus in het gezin van zijn oudste zus opgenomen. Na de lagere school kan hij aan de slag als leerling-metselaar. Marinus toont zich een harde werker, gewild en ook nog eens goudeerlijk. Steeds als iemand hem probeert los te weken van een klus door een hoger loon te bieden, is zijn antwoord nee. Op de bouwplaats komt Marinus voor het eerst met het communisme in aanraking. Al snel is hij in de weekenden vaak te vinden in Leidse openbare bibliotheek. Daar leest hij alles wat los en vast zit over Karl Marx en de klassenstrijd. Marinus wordt lid van de communistische jeugdbond. Want dat er iets verkeerd is in de wereld, tussen arm en rijk, daarvan is hij overtuigd.

Op een dag krijgt Marinus tijdens het metselen kalk in de ogen. Het spul tast zijn hoornvlies aan en dus ook zijn gezichtsvermogen. Marinus’ ogen gaan dusdanig achteruit dat hij arbeidsongeschikt wordt verklaard. De schrale troost: nu heeft hij alle tijd om zich te roeren in de communistische jeugdbeweging. Dat doet hij vol overgave. Marinus, die inmiddels op zichzelf woont, stencilt krantjes en deelt ze uit bij fabriekspoorten. Hij mengt zich in debatten en kalkt leuzen op muren.

Het ‘proletariërs aller landen, verenigt u’ indachtig, zet hij arbeiders aan tot stakingen als ze met loonsverlagingen worden geconfronteerd. Af en toe komt het bij demonstraties tot een handgemeen met de politie. Maar Marinus is groot en sterk. Bij een van de opstootjes weet hij de sabel van een agent te veroveren. Zo wordt hij langzaam maar zeker de bekendste Leidse oproerkraaier. Alles voor de gedroomde revolutie.

De bak in

In 1929 vindt in New York de grote beurskrach plaatst. De economische crisis van de jaren dertig begint. Marinus is dan twintig en vat het plan op om lopend en liftend naar Rusland te reizen, de bakermat van het communisme. Daar wil hij met eigen ogen zien hoe het arbeiders vergaat in de communistische heilstaat. Maar verder dan Berlijn komt Marinus niet. Als hij weer terug is in Leiden, blijkt de partij hem buiten te hebben geschopt: eigen initiatief wordt niet op prijs gesteld, hij had om toestemming moeten vragen. Marinus neemt het voor kennisgeving aan. Dan gaat hij voortaan wel door als eenling, als anarchist.

Zo ontwikkelt Marinus’ wereldbeeld zich verder. Hij wijst nu niet alleen het kapitalisme af, maar ook de vakbonden en politieke partijen, want alles wat zich verenigt, dat corrumpeert. Daarom moet Marinus ook niets hebben van het Burgerlijk Armbestuur, de toenmalige sociale dienst. Volgens hem een boevenbende die de armen toestaat om de kruimels op te eten, die zijn achtergebleven op de tafels van de rijken. Net genoeg om niet te creperen en in ruil daarvoor ben je dan verplicht om elke dag te komen stempelen. Het steekt Marinus vooral dat arbeiders niet lijken in te zien dat ze zélf zullen moeten handelen.

Hoogste tijd dat het proletariaat, de bezitloze arbeidersmassa, opstaat! In 1932 gooit hij de ruiten van het gebouw van het Burgerlijk Armbestuur in Leiden in, waarvoor hij enkele maanden de bak indraait.

Dan breekt 30 januari 1933 aan. Adolf Hitler is nu de nieuwe Duitse regeringsleider, een politieke omwenteling van jewelste. Bloedige botsingen, straat- en zelfs vuurgevechten tussen fascisten en communisten volgen. Marinus weet wat hem te doen staat. Daar, in Duitsland, ligt de strijd die hij moet voeren. De vooravond van de proletarische revolutie!

Maar eenmaal weer terug in Berlijn wacht hem een schok. De SA-troepen van Adolf Hitler trekken luid zingend door de straten, ondanks de snijdende kou. “Sieg heil!” schreeuwt ook de menigte. Overal gaat de rechterhand gestrekt naar voren.

Tot overmaat van ramp lijkt de Duitse communistische partij (KPD) de fascisten helemaal niet als een vijand te beschouwen, maar als een “historische tussenfase” die vanzelf weer overgaat. ”Nach Hitler kommen wir!” scanderen de Duitse communisten. Daarom richten zij hun pijlen liever op de sociaaldemocraten, die zij steevast “sociaal-fascisten” noemen.

Dit tot grote frustratie van Marinus. Is dit nu het revolutionaire Berlijn? Nee, hij kan het er niet bij laten zitten. Bij communistische bijeenkomsten in de Duitse hoofdstad probeert hij demonstraties te organiseren, zoals hij ook altijd deed in Leiden. Maar niemand wil. Sowieso dient elke demonstratie door de top van de KPD te worden goedgekeurd. Marinus verbijt zich. Stelletje slappelingen! Het enige echte teken van verzet waarover hij hoort, zijn enkele in brand gestoken reclamezuilen met nazipropaganda.

Lucifers en aanmaakblokken

Getergd besluit Marinus zelf iets te ondernemen. Op zaterdag 25 februari koopt hij lucifers en enkele pakken aanmaakblokjes, in die tijd vooral gebruikt om de kachel mee aan te steken. Diezelfde avond steekt hij in de wijk Neukölln, waarschijnlijk als test, de zolderverdieping in de fik van een pand waar hij eerder met stakers heeft gediscussieerd. Al snel slaan de vlammen uit het besneeuwde dak. Daarna zet Marinus koers richting stadhuis. Daar gooit hij door een openstaand kelderraam een brandend pak aanmaakblokken naar binnen en maakt zich uit de voeten. De brand wordt net op tijd ontdekt en gedoofd. Maar Marinus heeft de smaak te pakken. Op naar het keizerlijk paleis! Via een steiger klimt hij het dak op en veroorzaakt daar eveneens een brandje. Ook dat wordt geblust.

De volgende dag, een zondag, reist Marinus weer af naar Leiden. Maar even buiten Berlijn bedenkt hij zich. Op maandag, het is dan 27 februari 1933, keert hij terug naar de hoofdstad, koopt vier pakken aanmaakblokken en zet koers richting de Rijksdag.

De rest van de middag besteedt Marinus aan verkenningen, om ’s avonds wederom terug te keren. Hij klimt via een muur met diepe richels naar een balkon, slaat daar een raam in en klimt naar binnen. Maar het glasgerinkel trekt de aandacht van een toevallige passant, die onmiddellijk een om de hoek staande politieagent waarschuwt.

Marinus raast intussen als een bezetene door de Rijksdag. Een tocht die uiteindelijk twintig minuten zal duren. Overal waar hij maar kan, steekt hij gordijnen in de fik. Maar echt branden wil het niet, want bijna alles in de Rijksdag is van marmer. Uiteindelijk belandt hij in de grote parlementszaal, waar de muren met hout zijn afgewerkt. Ook daar steekt hij drie lange gordijnen in de brand. Zijn eigen bovenkleding doet dienst als fakkel.

Eindelijk krijgt het vuur grip. De vlammen likken zich langs het kurkdroge hout omhoog. Terwijl Marinus zwetend en hijgend verder gaat met zijn tocht door de Rijksdag, grijpt het vuur om zich heen. De hitte maakt, dat het glazen plafond van de parlementszaal het begeeft. Waarna de koepel boven de Rijksdag het vuur als een grootsteen omhoogtrekt. Ook daar springt al het glas. Boven de Rijksdag verschijnen grote, donkere rookwolken.

Enkele zalen verder loopt Marinus, met ontbloot bovenlijf, in de armen van een huismeester en de agent. Zij zijn als eersten ter plaatse zijn. Hij verzet zich niet.
“Waarom!?” schreeuwt de huismeester.
“Uit protest!” roept Marinus. Hij krijgt enkele klappen en wordt – met een deken om – overgebracht naar het dichtstbijzijnde politiebureau.

Daar vertelt hij tot in detail hoe zijn tocht door de Rijksdag verliep. Marinus lijkt zelfs trots op zijn daad. De brandende Rijksdag is voor hem de lichtende fakkel van de revolutie, bedoeld “als signaal aan de Duitse arbeiders om in opstand te komen.” De volgende dag helpt hij mee aan een reconstructie, in de aanwezigheid van tal van rechercheurs en andere deskundigen. Gezamenlijk keren ze terug naar de plaats delict. Enkel de grote parlementszaal blijkt zwaar beschadigd. De rest van het gebouw heeft weinig geleden, al is de grote glazen koepel wel vernield.

Hitler, dan nog de premier van een coalitiekabinet, grijpt de brand dankbaar aan om in heel Duitsland de noodtoestand uit te roepen. De grondwet wordt buiten werking gesteld, zogenaamd de enige manier om deze “bolsjewistische opstand” de kop in te drukken. Zo grijpt de Führer dan eindelijk de absolute macht. Duizenden communisten en socialisten worden gearresteerd.

In de kaart gespeeld

Het nieuws van al die arrestaties bereikt ook Nederland. Daar meldt het communistische partijblad De Tribune dat ‘de partij’ zich distantieert van de provocateur Van der Lubbe. Hij zou met zijn daad de fascisten juist in de kaart hebben gespeeld en zodoende dus zelf een fascist zijn. Temeer omdat hij al in 1932 lid zou zijn geworden van de nazipartij. Onzin, maar daar lijkt niemand om te malen. Nóg wildere geruchten doen de ronde. Van der Lubbe zou een “omgekochte nazi-provocateur” zijn. Hem zou vijftigduizend Rijksmarken zijn beloofd (toentertijd een astronomisch bedrag) voor het in brand steken van de Rijksdag. Plus de toezegging dat hij na twee maanden weer vrij zou komen. Anderen beweren weer dat Marinus homoseksueel is en het schandknaapje van Ernst Röhm, de leider van de Sturmabteilung (SA) van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP).

Intussen worden overal in Duitsland foto’s van Van der Lubbe verspreid. De autoriteiten weigeren te geloven dat hij in zijn eentje heeft gehandeld. Wellicht waren er geen mededaders, maar dan toch zeker wel opdrachtgevers! Een simpele arbeider als Van der Lubbe doet zoiets niet op eigen houtje, daar móét wel een intellectueel achter zitten. Wie inlichtingen verschaft die leiden tot een doorbraak in het onderzoek, die kan een beloning van twintigduizend Rijksmarken tegemoetzien.

Opeens blijken heel veel inwoners van Berlijn Marinus van der Lubbe gespot te hebben, altijd samen met handlangers. Een van de tipgevers is een aan lagerwal geraakte kelner. Als in het café-restaurant waar hij werkt, drie wat louche Bulgaren zitten, waarschuwt hij de politie. Dit trio heeft hij samen met Van der Lubbe gezien! De drie blijken zowaar communisten. Bovendien zijn ze in het bezit van valse papieren. Dus worden ze gearresteerd en vastgehouden.

Intussen wordt Marinus in de gevangenis onderzocht door twee psychiaters. Hij vertelt hen dat de oude wereld ten onder zal gaan en wat hem betreft wel “een laatste duwtje” kon gebruiken. Bang is Van der Lubbe niet: “Wat kan me gebeuren? Ze sluiten me voor een paar jaar op. Dan komt er oorlog en zullen ze me bevrijden. En ook als dat niet gebeurt, ik heb niets te verliezen.”

“Apathische sufferd”

Maar hoe langer het voorarrest zich voortsleept, des te slechter het gaat met Marinus. Zo brengt hij zes maanden lang 24 uur per dag door in een isoleercel, geketend aan handen en voeten, en altijd met het licht aan. Continu geobserveerd via een luikje omdat de autoriteiten bang zijn dat hij zelfmoord zal plegen.

Van der Lubbe wil geen verklaringen meer afleggen. Hij wil ook geen gebruik maken van een advocaat, zelfs niet degene die zijn familie in Nederland voor hem heeft geregeld. Uiteindelijk krijgt hij een advocaat toegewezen door de rechtbank. Marinus zal nauwelijks een woord met hem wisselen.


Op 21 september 1933 begint in Leipzig het proces tegen Van der Lubbe. Als de rechters de zaal betreden, brengen alle aanwezigen de Hitlergroet. De rechters zelf ook. Marinus zit er gebogen bij in zijn gevangeniskiel, nog steeds geboeid en geketend. Hij verklaart dat de drie Bulgaren niets met de brandstichting te maken hebben. Wat hem betreft, moeten ze onmiddellijk worden vrijgelaten. Maar de drie worden samen met Van der Lubbe berecht. Een van de Bulgaren, ene Dimitrov, blijkt een begenadigd spreker. Bovendien is zijn alibi waterdicht. Hij zat ten tijde van de brand in de nachttrein van München naar Berlijn.

Dimitrov keert zich tegen Van der Lubbe, die hij een “domme vijand van de arbeidersklasse” noemt. Op hoge toon eist hij dat Marinus de rechtbank vertelt wie zijn medeplichtigen waren. De rechters knikken instemmend. Niemand lijkt moeite te hebben met deze omkering van de bewijslast. Van der Lubbe herhaalt voor de zoveelste keer dat hij alleen handelde en de drie medeverdachten onschuldig zijn. Hij vertelt de rechtbank dat hij op zijn vonnis wacht, “of het nu twintig jaar is of de dood.” Voor de rest doet hij er het zwijgen toe. Alleen zijn hoofd zakt, naarmate het proces vordert, steeds dieper op de borst.

Marinus lijkt te hebben opgegeven. Hij heeft zijn verhaal al ontelbare malen verteld, maar niemand die hem gelooft. Als de openbaar aanklager op 13 december 1933 de doodstraf eist, lijkt hij te slapen. Een “toonbeeld van imbeciliteit” koppen de kranten over Marinus. Ze omschrijven hem als een “apathische sufferd.

Op zaterdag 23 december 1933 volgt het vonnis. Vrijspraak voor de drie Bulgaren, wegens gebrek aan bewijs. Marinus krijgt, zoals geëist, de doodstraf. Hij is schuldig bevonden aan hoogverraad, nota bene op grond van een wet die pas na zijn brandstichting door het naziregime werd ingevoerd.

De Nederlandse regering en Marinus’ familie dienen gratieverzoeken in. Tevergeefs. De nazi’s zetten er vaart achter. Op de binnenplaats van de gevangenis in Leipzig wordt in allerijl een guillotine opgebouwd. Daar wordt Marinus in de vroege ochtend van 10 januari 1934 opgewacht door de beul en een select gezelschap getuigen. De openbaar aanklager leest voor de laatste keer het vonnis voor en vraagt of de veroordeelde nog iets te zeggen heeft. Marinus schudt zijn hoofd. Nee, hij heeft niets te zeggen.

Even later wordt hij op zijn buik onder de guillotine geschoven. Marinus’ laatste woorden: “Mijn God, eindelijk…” Om klokslag half acht suist de valbijl naar beneden.

En dat was het dan. De familie moet het nieuws van de executie horen via een journalist die hen om een reactie vraagt. Marinus’ hoofd wordt na afloop van de executie weer aan de romp genaaid. Daarna mag zijn broer Frans, die in allerijl naar Leipzig is afgereisd, afscheid van hem nemen. Maar het stoffelijk overschot meenemen naar Nederland, mag hij niet. Enkele dagen later, op 15 januari 1934, wordt Van der Lubbe op het Südfriedhof in Leipzig begraven, in een anoniem graf.

Eindelijk rehabilitatie

Ook nu nog liggen zijn stoffelijke resten daar, op het kerkhof van de stad waar zijn doodvonnis werd uitgesproken én voltrokken. Vanaf de jaren zestig doet het grasveld boven zijn kist dienst als urnenveld. Acht gecremeerde inwoners van Leipzig vonden er hun laatste rustplaats. Allen kregen ze een steen. Behalve Marinus.

Dankzij inspanningen van familie en vrienden wordt het vonnis in 1967 vernietigd omdat Van der Lubbe voor brandstichting nooit de doodstraf had mogen krijgen. Postuum wordt het omgezet in acht jaar tuchthuis.
Pas in 1980 wordt Van der Lubbe in een volgende rechtszaak vrijgesproken. Maar het Openbaar Ministerie tekent beroep aan, waarna Marinus, inmiddels bijna een halve eeuw dood, toch weer wordt veroordeeld tot acht jaar cel wegens brandstichting.

Eindelijk, in 2007, volgt rehabilitatie voor – volgens velen – de beroemdste Leidenaar sinds Rembrandt van Rijn. En in 2024 volgde een eigen steen. Maar was Marinus van der Lubbe nu een warhoofd of een anarchist? Niemand die het weet. Maar één ding is zeker. Terwijl de wereld toekeek hoe Hitler een steeds grotere bedreiging werd, besloot hij, met gevaar voor eigen leven, een daad te stellen tegen het nationaalsocialisme. En betaalde de prijs.

Luuk Koelman
Luuk Koelman

Columnist (o.a. voor Nieuwe Revu), ghostwriter en schrijfcoach. Hij werkt voor mensen die graag schrijven én voor mensen die liever niet schrijven.

Abonneer je op mijn gratis nieuwsbrief!