Oei-oei-oei vogel op de operatietafel

“U bent gezegend met een aanzienlijk grote balzak,” zegt de uroloog. “Dat is fijn werken.”
“Dank u vriendelijk,” mompel ik. Ik probeer mijn hoofd op te tillen. Boven me trilt de warmte van de operatielamp. Voor mij zie ik een landschap van blauw operatiepapier met ter hoogte van mijn kruis een rechthoekige uitsparing. Daar steken mijn kaalgeschoren en ontsmette ballen nieuwsgierig door naar buiten. De spuit, scalpel en twee schaartjes die ter hoogte van mijn knieën op het operatiepapier liggen, lijken hen geen angst in te boezemen.

Mijn piemel is verstandiger. Die heeft zich even tevoren met een flinke strook tape tegen mijn onderbuik omhoog laten plakken; veilig onder het operatiepapier.

De uroloog is een vrolijke veertiger met kort, grijzend haar. Hij voelt waar de zaadleiders van mijn teelballen lopen. Binnen enkele seconden zijn ze door hem gespot. Een jonge assistent-arts, een meisje van begin twintig met een lange vlecht, mag meekijken. “Bij sommige mannen is er nauwelijks ruimte om de zaadleiders door te knippen,” doceert de uroloog, “maar bij meneer kan ik straks naar believen een plekje uitzoeken om te snijden.”

Nu mag de jonge assistent-arts ook even op zoek naar mijn zaadleiders. Ik voel wat onervaren kneepjes in het gebied boven mijn ballen. Snel laat ik mijn hoofd terugvallen in het kussen en denk ter afleiding aan de spuit die straks komen gaat. “Bij mij ging die injectie zo mijn teelbal in,” waarschuwde een vriend me, die enkele weken eerder de pineut was. “Dat is het ergste van die sterilisatie. Het is te gruwelijk voor woorden.”

“Mooi zo,” onderbreekt de uroloog mijn overdenkingen. “Ik begin met uw linkerteelbal. Let op, dan komt nu de verdovingsprik.”

Ik knijp mijn ogen stijf dicht.

Is dat alles? Het is een prikje van niks. De opluchting is zo groot dat ik moeite moet doen niet te lachen. De warmte van de operatielamp is plots weldadig en zelfs het systeemplafond ziet er prachtig uit.

“Ligt u lekker?” vraagt de uroloog even later.
“Ja hoor. Alles prima.”
“Geen pijn?”
“Nee hoor.”
“Dat dacht ik al, want ik ben nu bezig uw zaadleider omhoog te halen.”
De arts-assistent buigt zich belangstellend over me heen.
“Kijk, daar hebben we hem te pakken,” zegt de uroloog. “Moet je goed opletten wat ik nu doe. Zie je? Het is net elastiek.”
Ik voel iets trekken in mijn lies. De arts-assistent giechelt. “Ik vind het meer op een sliertje spaghetti lijken.”
“Maar dan toch wel een stuk taaier,” antwoordt de uroloog. “Voel maar even.”
“Goh, ja…”

“Dan halen we er nu een klein stukje tussenuit,” vervolgt de uroloog, “en binden we beide uiteinden van de zaadleider weer netjes dicht.”
Ik hoor een schaartje. Seconden tikken voorbij. “Dat is één,” zegt de arts. “Nu het andere uiteinde nog.”
Stilte.
“Tenminste, als ik het kan vinden.”
Nog meer stilte.
De arts-assistent kijkt leergierig mee. “Waar is het andere uiteinde gebleven?”
“Terug de teelbal in geschoten,” mompelt de uroloog. “Dat wordt zoeken.”
Ik voel getrek en gefriemel. Ik zweet. Ik staar naar het plafond. Rustig blijven nu.
“Gaat het nog?” vraagt arts.
“Ja hoor.” Ik probeer vrolijk te klinken.
Weer gefriemel. En enkele seconden later: “Daar hebben we de deugniet!”

“Is alles oké?” vraagt mijn vriendin bezorgd, wanneer ik een half uur later met gezwollen ballen en een prop verband in mijn onderbroek de wachtkamer binnen schuifel. “Je bleef zo lang weg.”
“Er heeft net een lekker jong ding aan mijn ballen gezeten,” piep ik dapper.
Mijn vriendin aait me over mijn hoofd. “Och, arme… jij bent nu mijn Oei-oei-oei-vogeltje.”
“Je wát?” Ik kijk haar niet begrijpend aan.
“Mijn Oei-oei-oei-vogel. Dat is een vogel met zulke grote ballen dat hij tijdens het landen steeds ‘oei-oei-oei, oei-oei-oei!’ roept.”
Ik kan er niet om lachen.

Scroll naar top