Jip en Janneke op de dijk

De zon schijnt.
Hand in hand lopen Jip en Janneke over de dijk.
Daar komt Hans aan.
Hij draagt een heel groot ding.
Wat is dat? vraagt Jip.
Dat is een sax-o-foon, zegt Hans. Daar maak ik muziek mee.
Met zijn drieën lopen ze verder.
Je moet heldere noten spelen, zegt Hans,
dat horen de mensen graag.
Opeens komt daar een lange jongen de dijk op ge-klau-terd.
Oppassen voor Paul! schrikt Hans.
Paul heeft grote wenk-brau-wen.
Hij praat heel hard.
Paul wil al ons zakgeld opmaken, zegt Hans.
Paul denkt niet aan later.
Bah! Domme Paul, roept Janneke.
Hans loopt op Paul af. Hij schopt hem ferm tegen de schenen.
Auw! Auw! roept Paul. Dat doet pijn!
Ziezo, zegt Hans.

De zon schijnt nog steeds. Paul is weg.
Hans speelt op zijn sax-o-foon.
In de verte rijdt een jongetje op een fiets.
Hij heeft een brilletje op en donker haar.
Wie is dat? vraagt Janneke.
Dat is Jan-Peter, zegt Hans.
Jan-Peter wil Harry Potter zijn.
Woei! Woei! Woei! roept Jan-Peter.
Hij houdt het stuur goed vast.
Ik vlieg! Ik vlieg!
Maar wat verder zwabbert Jan-Peter zo van de dijk af,
met een luide plons de vaart in.
Wat een zielige jongen, zegt Janneke.
Laat maar liggen, zegt Hans.

Op een bankje zit Ad.
Ad is altijd nors.
Dat komt omdat zijn vader kapper is.
Oei! Daar duikt een kaal jongetje op achter de bank.
Dat is Pim, schrikt Hans.
Pim is eng en ge-vaar-lijk.
Hij heeft Ads brilletje al te pakken.
Pak me dan, pak me dan! roept Pim.
Ad rent heel hard achter Pim aan.
Daar heeft hij hem gevangen.
Maar de bril valt.
Pardoes in een paardevijg.
En Ad valt er bovenop.
Krak, zegt de bril.
Ad moet huilen.

Loop maar met mij mee, fluistert Hans.
Dat is een wijs besluit.
Jij bent wel lief, zegt Janneke tegen Hans.
Jip kijkt nog even om.
Pim steekt zijn tong uit.
Stoute Pim.