Honderdtwintig dode Pimmetjes

In Delft mogen bezoekers van kunstgalerie 38CC als souvenir een beeldje mee naar huis nemen van een dode Pim Fortuyn, liggend in een plasje bloed. Honderdtwintig ‘Pimmetjes’ zijn er te vergeven. Omdat ik columnist ben, wil kunstenaar Anno Dijkstra alvast één wassen beeldje bij mij thuis afgeven – op voorwaarde dat ik erover schrijf.

Eenmaal binnen vertelt hij wat hij met de Pimmetjes beoogt: “Fortuyn is dood en dat moeten we onder ogen zien. Ik vind verwerken beter dan verdringen.” Anno legt een beeldje van Pim op het salontafeltje. “De tot vlees gereduceerde mens,” legt hij uit, “want het is altijd de dood die zorgt voor een schijnbare onvoltooidheid.” Ik knik maar eens, terwijl ik de kat aai die op mijn schoot ligt te spinnen. Intussen constateert Anno tevreden dat Pim precies goed ligt zo, naast de afstandsbediening.

“En nu?” vraag ik. Daar heeft Anno niet direct een antwoord op. Hij vertelt me dat ik er natuurlijk zelf ook aan moet werken, want “het beeldje van Pim functioneert pas echt wanneer je bereid bent de vele, soms tegenstrijdige sensaties die het uitlokt, aan den lijve te ervaren.” Anno leunt voorover en legt gekweld één wang op het beeldje. “Dit is geen statisch, in zichzelf voltooid beeld dat zich in één keer laat vatten. De confrontatie met sterfelijkheid, zo intens en zonder compassie. Het verstrijken van de tijd, de kortstondigheid van de zes schoten…” Als ik hem vraag of hij van zijn kunst kan leven, veert Anno op. Trots toont hij me zijn website. Onder het kopje ‘CV’ staan alle subsidies van het Fonds Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst die hij sinds 2001 geniet.

Weer kijk ik naar het beeldje. Hoogste tijd om maar weer eens afscheid te nemen. Natuurlijk laat ik Anno niet met lege handen vertrekken. Hij lijkt even teleurgesteld, wanneer ik hem een plastic zakje overhandig, met daarin de dagopbrengst van de kattenbak. Maar als ik hem wijs op de keuteltjes tussen het kattengrind (“allemaal sculpturen die in weerwil van hun expressieve vorm zijn ontstaan, zonder tussenkomst van een kunstenaar”) is hij direct enthousiast. En ja, hij mag ermee doen wat hij wil.

En zo geschiedde. Terwijl u dit leest, zit Anno met het plastic zakje op schoot bij het Fonds Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst, met een verhaal waarin “grote poëtische zeggingskracht” en “net als poëzie is geur nooit helemaal te doorgronden” de boventoon voeren. Ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat we de komende jaren nog veel van dit creatieve genie gaan horen.