Voor Amalia

“Hoogheid. We moeten voort maken. Over enkele minuten staat de NOS op de stoep.”
“Vooruit dan maar. Wat wordt van ons verwacht, meneer Van der Wulp?”
“Dat zal ik u laten zien. Komt u beiden even mee naar de kamer hiernaast. Dan maken we er meteen een soort van generale repetitie van. Ja, ook Amalia graag. Als u haar even uit de maxi-cosi wilt halen? Mooi. Wacht, ik houd de deur voor u open.”

“Oké. Ik leg het snel even uit. U loopt beiden langs deze tafel met geschenken. Moment, dan ga ik even op de plaats van de camera staan… Eens kijken, wat dichter bij elkaar graag… Mooi. Prinses Máxima, als u Amalia ietsje hoger op de arm houdt, dan komt zij straks beter in beeld. Ja hoor, prima, dat ziet er goed uit. Plaatje! Oké, gaat uw gang, loopt u beiden maar langs de tafel… Goed… Goed… Ho! Ho! Wacht! Wacht! Niet zo snel…”
“Doen we iets niet goed, meneer Van der Wulp?”
“Het lijkt wel alsof u beiden het vliegtuig moet halen. Het is wel de bedoeling dat u naar de vele cadeaus en felicitaties kijkt.”
“O ja, natuurlijk. Excuus.”
“Wacht, dan doe ik het voor. Let goed op. Ziet u hoe bedachtzaam ik langs de tafel loop? Ik geef mijn ogen goed de kost, want ik kan maar geen genoeg krijgen van al die cadeaus en felicitaties. Ja? Begrijpt u wat ik bedoel? En let op mijn gezichtsuitdrukking. Wat straal ik uit?”
“U lacht en heeft ogen als schoteltjes. Iets manisch wellicht?”
“Verdikkeme nog aan toe, hoogheid. Verwondering en dankbaarheid straal ik uit!”
“Ja ja, natuurlijk. Nee, ik begrijp het.”
“Probeert u het nog maar eens. En u prinses Maxima, wilt u Amalia wakker houden? Het is in Nederland zeer onbeleefd om in slaap te sukkelen bij je eigen cadeaus.”

“Oké, we zijn nu alle geschenken aan het bekijken, meneer Van der Wulp. Ik til babylaarsjes op. Moet ik daar verder nog iets mee?”
“Praten, hoogheid, praten. De mensen willen horen wat u van de cadeautjes vindt. Misschien is het ook leuk als u iets tegen Amalia zegt?”
“Zoals?”
“Wat in u opkomt. Wijs haar maar op een cadeautje.”
“Kijk nu toch eens, Amalia. Wat zie ik daar? Een knuffelbeestje. Dat had je nog niet hè? Nee, je had nog geen knuffelbeestje. Wat een origineel cadeau.”
“Stop. Niet goed.”
“Niet goed? Wat wilt u dan dat ik zeg? Hartelijk dank voor de achtentwintighonderd pluche beesten die u ons deed toekomen? Of moet ik veinzen dat ik blij ben met een straatnaambord? Er zijn grenzen hoor.”
“Hoogheid, alstublieft. Dit is mijn vuurdoop als nieuwe directeur van de RVD. Heeft u niet wat vlotte zinnen paraat? Put uit uw ervaringen met het volk. Wat zegt u bijvoorbeeld op Koninginnedag tegen de mensen?”
“Dan zeg ik altijd: ‘Ronduit-fascinerend-te-zien-hoe-behendig-u-met-die-klosjes-overweg-kunt’. En als ik weg wil zeg ik: ‘Ik-zou-nog-uren-kunnen-kijken-maar-het-tobbedansen-en-peperkoekhappen-wachten’.”
“Hoogheid, ik smeek u…”
“Mijn broertje steekt altijd stiekem zijn middelvinger omhoog. Is dat iets?”

“Alex, kijk nu toch eens wat je doet. Je hebt meneer Van der Wulp aan het huilen gebracht. Hij is helemaal overstuur.”
“Sorry Max, ik kon het niet laten.”
“Meneer Van der Wulp, rustig. Wacht, hier heeft u een slabbertje. Ja, snuit de neus maar. Dat lucht op hè? Maakt u zich maar geen zorgen. Alex en ik gaan de kijkers thuis vertellen dat de liefde en de warmte waarmee de brieven zijn geschreven, de cadeaus en tekeningen zijn gemaakt, ons heel diep hebben geraakt.”
“Echt waar?”
“Echt waar. En dan vertellen we ook dat ouderschap soms zwaar is, maar natuurlijk ook heel erg leuk en dat we heel gelukkig zijn.”
“Echt? Willen jullie dat voor me doen?”
“Natuurlijk, meneer Van der Wulp. We know the drill. Maar laat u ons daarna weer met rust?”

close

Genoten van dit artikel? Ontvang mijn schrijfsels dan gratis in je mailbox.