Nachtbraken

“Jij geeft het woord nachtbraken een geheel nieuwe betekenis,” zegt mijn vriendin. Het is vier uur in de ochtend en ze staat plots achter me. Zelf hang ik op handen en voeten boven de toiletpot op de badkamer. Voor de vierde keer alweer deze nacht. Ik kan niet anders, de misselijkheid zit in mijn hele lijf. Een borrelend en gistend gevoel dat op mijn strottenhoofd drukt.

Dan maar de huig irriteren, het beproefde recept met de middenvinger. Het is even doorzetten, maar als je eenmaal de misselijkheid uit je lijf hebt gebraakt, volgt de opluchting. Met koud zweet op je voorhoofd weer rustig in slaap vallen. Dat is het walhalla. Soms heb je als mens niets meer nodig dan dat.

Maar zover is het nog lang niet, ook al kan ik mijn huig inmiddels beroeren als de beste. Onder me, in de toiletpot, zie ik dat ik ben aanbeland bij de gal. Ik kan het ook proeven. De gal hangt in lange, zure slierten aan mijn lippen. Spugen helpt niet. Het maakt de draden alleen maar langer.
“Laat me maar even alleen,” mompel ik zonder op te kijken tegen mijn vriendin.

“Och arme jongen,” antwoordt ze. Ze aait me even over mijn bol. “Het is vast een virus of zo. Dat schijnt te heersen.”

Terwijl zij weer in het warme waterbed kruipt, kom ik moeizaam overeind. Onder de kraan probeer ik mijn middelvinger te wassen. Mijn trouwe kompaan deze nacht. Gal is vreemd spul. Het water lijkt er vanaf te glijden. Je moet bijna boenen.

Na mijn mond gespoeld te hebben sjok ik in mijn ochtendjas naar beneden. Ik moet iets in mijn maag hebben, iets lichts, al is het maar om mijn lichaam tot bedaren te brengen.

Terwijl de thee afkoelt, hang ik voor pampus over de keukentafel. Even suf ik weg. Daarna drink ik voorzichtig, met kleine slokjes. Tevergeefs. Nog geen minuut later komt mijn maag in verzet.
Net op tijd weet ik het toilet in de hal te halen. Snel nederig op de knieën. Mijn middelvinger is niet eens nodig. Het is een gerochel en gekletter van jewelste. Zonder te knoeien, dat dan weer wel, ook al zit er nu opeens gal in mijn neus.

Achter mij gaat de klep van de brievenbus open. De ochtendkrant. Ik hoor de stem van de bezorger, een vriendelijke oude heer op een snorfiets. “Alles oké daarbinnen?”
“Ja hoor,” roep ik dapper vanuit de pot, “een virusje.”
“O ja, dat heerst,” roept de krantenman door de brievenbus. “Fijne dag nog.”
“Insgelijks,” weet ik er nog net uit te krijgen.

Terwijl de snorfiets zich verwijdert, steek ik mijn hoofd nog dieper in de toiletpot. “Het heerst,” mompel ik en staar wezenloos tussen alle galslierten door, die als een spinnenweb onder mijn kin hangen.

Het lichaam wint het weer eens van de geest. Ik word oud.

close

Genoten van deze tekst? Ontvang mijn schrijfsels dan gratis in je mailbox!