Kantoormisère

Maandagochtend, kwart over acht. Het motregent en de ochtendspits is in volle gang. Op het parkeerterrein stopt een donkerblauwe Volkswagen Golf. Een seconde of tien gebeurt er niets.

Dan opent zich het portier. Een gezet heerschap van een jaar of veertig werkt zich langzaam naar buiten. Het duurt even, maar dan is het eindelijk zover. Hij staat naast zijn wagen. De man oogt zorgelijk. Er zitten kreuken in zijn pak. Hij werpt een blik op zijn horloge. Dan tast hij in de zak van zijn colbert en diept een pakje sigaretten op, klopt er één uit en steekt ’m op. Nog even. De man trekt gulzig aan zijn sigaret. Je ziet, zo heeft hij al honderden, zo niet duizenden keren naast zijn wagen gestaan. Snel nog één lange hijs. Dan gooit hij de sigaret weg en pakt zijn koffertje van de achterbank.

Een duif scheert over. De man begint richting kantoorpand te lopen. In lome cadans steekt hij het parkeerterrein over, het koffertje bungelend aan zijn rechterhand. Maar hoe dichter hij de ingang nadert, des te meer de vertwijfeling in zijn pas sluipt. Daar zakken de schouders al. De kin ploft op de borst. De man is het parkeerterrein nog niet af, of zijn hele lichaam doet mee. Hij lijkt wel een stripfiguur. Dagobert Duck die zijn geld kwijt is, zo moedeloos sjokt hij verder.

Voor de glazen draaideur van het kantoorpand houdt de man halt. Een weerloze gestalte voor een veel te groot gebouw. Hij staart verdoofd voor zich uit. Wat zich in het hoofd van de man afspeelt, laat zich makkelijk raden. Het is pas maandagochtend en eigenlijk wil hij nu al weer naar huis. Wat een leven en wat voelt hij zich leeg. Vroeger, in zijn jonge jaren, diende hij zijn chef regelmatig van repliek, maar daar is weinig meer van over. Behalve dan die vreemde mengeling van gelatenheid en berusting. Alleen in gedachten sputtert hij nog tegen.

Dan vermant hij zich, slaakt een laatste zucht en verdwijnt schielijk door de draaideur naar binnen. Het is vijf voor half negen, een maandagochtend. Buiten zet de regen een tandje bij.

Scroll naar top