Jaap de Hoop Scheffer eindelijk thuis

Het is nog vroeg. In de war room van het Navo-hoofdkwartier te Brussel, staat Jaap de Hoop Scheffer. Dit is zijn eerste werkweek als secretaris-generaal van de Navo en hij ziet er patent uit, dat heeft hij vanochtend op zijn hotelkamer al gezien. Sinds Jaap de hoogste baas van de Navo is, staat eigenlijk alles hem goed. Zelfs de groeven in zijn gezicht mogen er wezen, net als zijn onberispelijk golvende kapsel, dat hij iedere ochtend heerlijk vanaf de scheiding met een weinig haarwater besprenkelt.

Jaap is alleen. Hij staat voor de eikenhouten staftafel die de complete war room in beslag neemt. Het gevaarte met daarop een reusachtige wereldkaart is minstens zo groot als vier biljarts bij elkaar. Jaap staart er gebiologeerd naar. Hij kijkt van links naar rechts, en weer terug. Overal ziet hij lijnen, lampjes en vlaggetjes die vast en zeker het een en ander betekenen.
Kijk daar, heel klein, daar ligt Nederland. Hoofdstad van de wereld! Jaap gniffelt. Nederland is al sinds jaar en dag te klein voor hem. Deze kamer, deze war room, dát is zijn natuurlijke biotoop.
Het centrum van de macht, eindelijk thuis. Jaap plaatst zijn handen voorzichtig op de staftafel. De linker op Zuid-Afrika en de rechter middenin de Indische Oceaan. Continenten en wereldzeeën binnen handbereik, alles onder zijn invloed. Jaap gloeit ervan. Hij leunt voorzichtig voorover, spreidt zijn handen nog wat verder. Van de Atlantische Oceaan tot aan Australië reikt zijn macht nu. Zijn stropdas bezet Madagascar.

Jaap buigt nog verder naar voren, superieur heersend over het zuidelijk halfrond. Zijn borst raakt nu bijna de staftafel.
Ik sla mijn vleugels uit, denkt Jaap. Ik ben een adelaar, een condor!
De vingertoppen van zijn linkerhand schampen de kustlijn van Brazilië. Rechts moet Australië er aan geloven. Met zijn borst plat op de staftafel, de armen maximaal gespreid, schurkt Jaap centimeter voor centimeter steeds verder naar voren. Alleen zijn tenen raken nu nog de grond. Macht zover als zijn armen reiken. Na Alexander de Grote, Hannibal, Attila de Hun en Ghengis Khan is er nu Jaap de Hoop Scheffer.

Daar gaat een deur achter hem open. Jaap springt overeind. Een Amerikaanse militair staat in de opening. Hij ziet er onberispelijk uit. Jaap bedenkt zich geen moment. Hij trekt beide mondhoeken omhoog. “Good morning!” Jaap knikt nadrukkelijk. “Good morning!”
De Amerikaan neemt hem vorsend in zich op.
Nog maar eens knikken dan, denkt Jaap. En een lofprijzing er achteraan. “Good to see you! Yes! Good to see you!”
De man reageert nauwelijks. Jaaps brein werkt op volle toeren. Hoe dom! Zo’n knikje met opgeheven hoofd komt veel te arrogant over. Daar moet je bij een Amerikaanse generaal niet mee aankomen. Hij moet laten zien dat hij solidair en één is met de Verenigde Staten, leiders van de vrije wereld.

Excuse me! Excuse me!” Jaap buigt nu hoffelijk. “Good to see you!” Nog wat dieper voorover. Een kans op een goede eerste indruk krijg je immers maar één keer. Jaaps middel scharniert nu als een knipmes. “Yes! Yes! Good to see you!” Wervel voor wervel buigt hij steeds verder voorover. Hij ziet de rand van de staftafel voorbij komen en daarna het hoogpolig tapijt. Voor hij er erg in heeft, staat Jaap oog in oog met zijn zwartgelakte schoenen. Hij kan het leer ruiken. “My name is Djeep zjéé Hoop Sjeever.” Jaap moet zijn hoofd pijnlijk forceren om de Amerikaan aan te kunnen kijken. Het lukt niet erg. Zijn rechteroor schuurt langs zijn schoenveters. “And you must be general …?”
Jaap hoort geratel van een karretje. Zwenkwieltjes komen voorbij. “Good morning sir, I am soldier John and I’m in charge of the coffee.”

close

Af en toe een verse column én exclusieve schrijftips in je mailbox?