Fijne vakantie!

Zomer in het Belgische Luik. De zon brandt. Een glimmende Renault Espace met een Nederlands nummerbord rijdt langzaam door hartje stad. De airco loeit. Achter het stuur zit een man van middelbare leeftijd met een snorretje. Hij heeft een oranje poloshirt aan. Op zijn schoot ligt een taalgidsje.
De vrouw naast hem tuurt gespannen in een stratenboek. “ik weet ook niet waar we zijn, Theo. Maar misschien is dit wel een zijstraat van de doorgaande weg. Als we dan gewoon ergens een straat inslaan…”
Theo zegt niets. Totdat de Renault voor de derde keer langs een dubbel geparkeerde vrachtwagen rijdt. “Volgens mij hebben we hier een half uur geleden ook gereden, Monique.”
Monique kijkt verstoord op. “Daar kan ik toch niks aan doen?”
“Nu niet nee, maar twee uur geleden wel. Had je toen maar de doorgaande weg gevolgd.”
“Meteen voor de brug linksaf leek me korter. Alleen, we konden toen niet verder.”
Theo kijkt stuurs voor zich uit. “Nee, dat ging niet hè. Eenrichtingsverkeer.”
“Maar volgens het stratenboek kon het wel!”
Theo zucht. “Zie nu maar weer eens terug te komen op de ringweg.”
Achterin de auto klinkt luid de stem van Henk Jan Smits. Hij kondigt Boris aan. Theo kijkt in de achteruitkijkspiegel. “Zeg, dametje achterin, kan het geluid wat zachter? Papa en mama kunnen elkaar nauwelijks verstaan.” Geen reactie. Hun dochtertje Samantha kijkt gebiologeerd naar Idols in concert op haar draagbare dvd-speler. Uit de speakers klinkt gejuich.
De Renault Espace houdt halt voor een rood stoplicht. Een oud, gebocheld vrouwtje op gympen schuifelt de weg over. Het raampje zoemt omlaag. Theo steekt zijn hoofd naar buiten. “Bonzjoer madam, la roet du suut, siel voe plè?” Het vrouwtje schuifelt onverstoorbaar verder. Theo kijkt haar na. Een dikke ader zwelt op bij zijn slaap. Hij vloekt binnensmonds.
Het verkeerslicht springt op groen. Theo trekt overdreven hard op.
De wagen boldert over de kinderkopjes. Monique staart nog steeds in het stratenboek. Theo kan vanuit zijn ooghoek zien hoe haar vinger lukraak ronddoolt over de plattegrond.
“Weet je wat? Ga hier dadelijk eens rechts, schat.”
“Hier naar rechts?” Theo kijkt haar scherp aan. Zweet glanst op zijn voorhoofd. “Weet je nu opeens wel waar we zijn?”
“Ja, hier rechts.” Monique ontwijkt zijn priemende ogen.
Theo slaat rechtsaf. Na enkele honderden meters houdt de straat op en begint een enorm parkeerterrein. Theo stopt. Overal kasseien, ze trillen in de hitte. Hij kijkt verwilderd om zich heen. Dan draait hij zijn hoofd opzij. “Hoe heet deze straat dan? Nou?” Hij kijkt erbij alsof hij haar op een leugen betrapt.
Monique tuurt nog steeds in het stratenboek. Dan schraapt ze haar keel. “Weet ik niet.”
“Weet ik niet?”
“Nee.”
“Hoezo, weet je niet!?”
“Nou, ik bedoel, we zitten volgens het stratenboek ongeveer in vierkantje 5C3.”
“Ja. En?”
“Dat is een vierkant links op de kaart en we moeten naar het oosten. Dus ik dacht, misschien is het handig om eens rechtsaf te gaan. Toch?”
Theo kreunt. Ik word gek, denkt hij. Hij legt zijn voorhoofd op het stuur van zijn Renault Espace. Alles plakt. Zijn onderbroek kleeft tussen zijn billen. Tranen van onmacht wellen op in zijn ogen. Naast hem haalt Monique diep adem. “Dan weet ik het ook niet meer.”
De enigen die de moed erin houden, zijn Boris en Samantha. Keep the soul alive! klinkt het opgetogen vanaf de achterbank.