Als moslim de polonaise in

Dinsdagavond hoste ik, verkleed als moslim, door de stadssporthal toen het heerschap achter mij – beide handen op mijn schouders – plots met zijn mond naast mijn oor hing. „Hé! Al gehoord? Rijswijk! Van drie haat-imams is het visum ingetrokken. Maar die andere vier dan? Zij hebben óók een baard! En een theedoek op hun kop! Ideologisch dus gewoon hartstikke dezelfde veren!”

Daar gingen we, in polonaise langs de bar. „Schandalig! Nederland is diep, diep gezonken! Wat zijn politici toch een stelletje slapjanussen. Laf, vreselijk laf! Het loopt ze dun door de broek! Aan stoere praatjes geen gebrek, maar als er eens een keer écht iets verboden moet worden, geven ze niet thuis. Drie van de zeven. Dat is de boel nog niet eens half verbieden.”

Frans Bauer knalde inmiddels uit de speakers. Overal confetti. „Die vier overgebleven imams mogen hier in Nederland dus gewoon hun zegje doen. Belachelijk! Maar als ik naar het radioprogramma Standpunt NL bel, om mijn mening te geven, kom ik er niet eens door. Naar míj wordt niet geluisterd, maar naar dat kwartet verwarde imams wél! Volkomen idioot! En zo gaat het van kwaad tot erger. Over een paar jaar hebben wij niks meer te zeggen in ons eigen land! Daarom moet het maar eens afgelopen zijn met al dat politiek correcte gedoe. Waar trekken jij en ik, verstandige Nederlanders, de grens? Nou? Als alle imams zomaar overal hun mening mogen geven onder het mom van vrijheid, is het hek toch van de dam? Wanneer gaan we eindelijk eens zaken verbieden?”

We bereikten de muur van de stadssporthal, maakten een bocht. „Wat kijk je me nou raar aan? Ik ben ook voor vrijheid van meningsuiting hoor! Maar dan moeten het wel normale meningen zijn – en niet van die rare. Kijk, dat van die Charlie Dinges, dat Franse blad, dat is leuke vrijheid van meningsuiting. Daar ben ik vóór. En handjes af van ome Geert.”

We hosten onder een bierdouche door. „Ik zie het zo: vrijheid van meningsuiting is een groot goed. Daar moeten we zuinig op zijn. Dus zeg ik: geef het dan niet aan iedereen! Neem nou moslims. Die mogen best van alles vinden – maar niet hier. Dat doen ze maar in hun eigen zandbak. Oprotten dus!” Daar lieten zijn handen mijn schouders los. „Behalve Aboutaleb natuurlijk, van Rotterdam! Die mag blijven. Dát is wel een goeie!” Vanuit een ooghoek zag ik hoe het heerschap afzwaaide, de andere kant van de sporthal op. Handen in de lucht, muts met fazantenveren op. „Alhoewel je dat met moslims natuurlijk nooit helemaal zeker weet!” hoorde ik hem nog net roepen, „als die Aboutaleb zich niet scheert, heeft ie ook gewoon een baard.”

close

Genoten van dit artikel? Ontvang mijn schrijfsels dan gratis in je mailbox.