Al het wensbare

De bel gaat, ik doe open. Voor de deur staat een scootmobiel met daarin een dik ingepakte, hoogbejaarde man. Op zijn schoot ligt een dekentje met daarop een stapel kranten. Ik herken hem meteen. Hij brengt bij mij in de wijk het wekelijkse huis-aan-huis-blad rond. “Ik kom u een zalig kerstfeest wensen”, zegt de oude heer, “en verder al het wensbare.” Hij overhandigt me een kaartje.

Terwijl ik in mijn portemonnee rommel, doemen de vragen op. Is dit nu iemand met alleen maar AOW? Wat levert zo’n krantenwijk eigenlijk op? En wat kost een volle accu aan stroom?
Ik durf het niet te vragen. Wie weet heeft hij wel tien krantenwijken in de week om rond te komen. Twee per dag, ’s ochtends een en ’s avonds een. De rest van de tijd vouwt hij in zijn aanleunwoning folders in.
Misschien doet hij het voor zijn kleinzoon. Een opgeschoten jongen van achttien die nu een eindje verder op hem wacht, in zijn Golf TDI. De tweede, derde, vierde en vijfde stapel van de avond liggen in de kofferbak.
Zwijgend kieper ik het muntgeld uit mijn portemonnee. “Dank u wel”, zegt de oude man en daar zoeft hij alweer weg, stuiterend over alle oneffenheden in het trottoir.

Ik kijk hem na. Bejaarden horen niet in een scootmobiel de krant rond te brengen. Ze horen op een bankje te zitten, aan een fietspad langs het kanaal, met veel eendjes of ganzen erbij. Een zakje broodkruimels binnen handbereik. Lekker leunen op een wandelstok. Daar zijn bejaarden goed in.

Wat bejaarden ook heel mooi kunnen, is sterven. Bij voorkeur in een klein bruin café. Het ene moment leven ze nog en het volgende moment zijn ze dood. Het gezicht voorover op tafel, met naast het rechteroor een glaasje jenever met de kop er nog op. Stiekem er tussenuit gepiept; het tochtgordijn bij de ingang bolde even op, maar niemand die daar acht op sloeg.

Zo hoort het te gaan in een beschaafd land dat goed op zijn ouderen past. Geen enkele bejaarde verdient het levenloos te worden aangetroffen met zijn voorhoofd op een stapel folders van de Wibra. Dat is wat ik wens.